Digitale identiteit
Digitale identiteit is, per definitie, geen identiteit maar een verwijzing ernaar: een verzameling kenmerken die in een systeem naar een persoon wijst, zonder ooit die persoon – of diens identiteit – te zíjn. Dat onderscheid klinkt triviaal, maar het is de bron van een groot deel van de spanning in identity management: systemen worden ontworpen alsof één kenmerk (een BSN, een e-mailadres, een klantnummer) de persoon zelf kan vastleggen, terwijl filosofie en informatietheorie al veel langer laten zien dat dat niet kan. Om te begrijpen waarom, helpt het eerst te kijken naar wat “identiteit” filosofisch al betekent, los van het digitale.
Identiteit was al zacht, voordat het digitaal werd
Al voordat er systemen en records bestonden, was persoonlijke identiteit lastiger dan ze intuïtief lijkt. John Locke plaatste identiteit niet in een vaste, onderliggende substantie, maar in de continuïteit van bewustzijn en herinnering: je bent dezelfde persoon als gisteren omdat je je gisteren herinnert, niet omdat er een onveranderlijke kern in je zit (Stanford Encyclopedia of Philosophy – Personal Identity and Ethics). Derek Parfit trok die lijn door in Reasons and Persons: metafysische identiteit – de vraag of iemand “echt” dezelfde persoon is – doet er volgens hem eigenlijk niet toe. Wat telt is psychologische continuïteit en verbondenheid, een kwestie van gradatie, geen alles-of-niets (Partially Examined Life – Parfit on Personal Identity). Paul Ricoeur voegt in Oneself as Another een onderscheid toe tussen idem (het zelfde, karaktertrekken die herkenbaar blijven) en ipse (zelfheid, het vermogen een belofte aan te gaan en trouw te blijven aan jezelf in de tijd) – identiteit als verhaal dat je vertelt, geen ding dat je bezit (Ricoeur on Locke on Personal Identity).
De scherpste formulering komt van David Hume. In zijn bundle theory is het zelf “niets dan een bundel van waarnemingen die elkaar in onbegrijpelijke snelheid opvolgen” – geen onderliggend substraat waar die waarnemingen bij horen, alleen de bundel zelf (Bundle theory – Wikipedia; Hume’s Bundle Theory of the Self). Dat is meer dan een filosofische curiositeit: als er geen substraat is waarnaar een kenmerk zou kunnen verwijzen als “de” identiteit, dan is het al een categoriefout – nog vóór er één computer aan te pas komt – om te denken dat één digitaal kenmerk die identiteit zou kunnen vangen.
Digitale identiteit is referentie, nooit het ding zelf
Charles Sanders Peirce’s semiotische triade maakt dat onderscheid formeel: een teken (representamen) verwijst via een interpretant naar een object, maar is dat object niet (Charles Sanders Peirce: Semiotics – Signo). Elke standaard die digitale identiteit definieert, erkent dit, meestal expliciet. ISO/IEC 24760-1 omschrijft identiteit als “set of attributes related to an entity”: een verzameling kenmerken, nadrukkelijk niet de entiteit zelf (ISO/IEC 24760 – Grokipedia). NIST SP 800-63-4 definieert digitale identiteit als “the unique representation of a subject engaged in an online transaction” – een representatie, die de persoon niet eens uniek hoeft te identificeren om bruikbaar te zijn (NIST SP 800-63-4). Kim Cameron omschrijft digitale identiteit in zijn invloedrijke Laws of Identity rechtstreeks als “a set of claims made by one digital subject about itself or another digital subject” – claims, geen feiten die de persoon zíjn (Kim Cameron – The Laws of Identity).
Philip Agre voegt daar een scope-dimensie aan toe. Hij onderscheidt indexicale identificatie – een verwijzing die op een bepaalde plek en tijd naar een entiteit wijst – van descriptieve identificatie, en stelt dat “de identiteit van een entiteit binnen een scope de verzameling is van alle kenmerken die aan die entiteit binnen die scope zijn toegeschreven” (Identity, Privacy and the Need of Others to Know Who You Are). Identiteit is dus niet alleen een verwijzing, maar een verwijzing die alleen binnen een gegeven context geldig is – nooit absoluut, altijd gebonden aan de scope waarin ze is vastgesteld. Hoe die scope-gebondenheid zich cryptografisch laat afdwingen, staat uitgewerkt in Digitale handtekening, bij selectieve onthulling met Verifiable Credentials.
Een eerlijk tegengeluid
Dat onderscheid tussen referent en referentie is niet onomstreden. Luciano Floridi hanteert in zijn informatie-ontologie een positie waarin ook het lichaam “informatie” is; als de persoon zelf al informationeel is, vervaagt het scherpe onderscheid tussen de persoon en de representatie ervan (Floridi – The Informational Nature of Personal Identity; The Onlife Manifesto). Jean Baudrillard gaat verder: in het laatste stadium van de simulacra verliest het teken zijn referent volledig en wordt de representatie zelf de werkelijkheid – een profiel kan, in ervaring, het origineel voorafgaan (Jean Baudrillard – Stanford Encyclopedia of Philosophy).
Empirisch krijgt dat gestalte in wat Kevin Haggerty en Richard Ericson het “data double” noemen: een digitaal dubbel dat, los van hoe accuraat het de persoon weergeeft, in de praktijk eigen maatschappelijke macht krijgt – toegang tot werk, krediet en huisvesting wordt erdoor bepaald (Haggerty & Ericson – The Surveillant Assemblage). Dat weerlegt het onderscheid referent/referentie niet – ontologisch blijft de representatie naar de persoon verwijzen – maar het laat wel zien dat de referentie in de praktijk kan losraken van wat ze representeert, met reële gevolgen voor de persoon achter het dubbel.
De consequentie
Neem deze twee lijnen samen. Identiteit is, filosofisch, een bundel zonder vast substraat: er is niets waar één kenmerk “de” identiteit van zou kunnen zijn. En digitale identiteit is, technisch en juridisch, per definitie referentie: een verzameling claims, altijd scope-afhankelijk, nooit het ding zelf. De conclusie die daaruit volgt is ongemakkelijk voor veel systeemontwerp: één identificerend kenmerk – een BSN, een e-mailadres – tot dé sleutel van een persoon verheffen, is een categoriefout op twee niveaus tegelijk. Wat dat concreet betekent voor dataontwerp, staat uitgewerkt in Claims-based identity.
Referenties
- Stanford Encyclopedia of Philosophy – Personal Identity and Ethics
- Ricoeur on Locke on Personal Identity
- Partially Examined Life – Derek Parfit on Personal Identity
- Bundle theory – Wikipedia
- Hume’s Bundle Theory of the Self
- Charles Sanders Peirce: Semiotics – Signo
- ISO/IEC 24760 – Grokipedia
- NIST Special Publication 800-63-4
- Kim Cameron – The Laws of Identity
- Identity, Privacy and the Need of Others to Know Who You Are
- Luciano Floridi – The Informational Nature of Personal Identity
- The Onlife Manifesto
- Jean Baudrillard – Stanford Encyclopedia of Philosophy
- Haggerty & Ericson – The Surveillant Assemblage